PIET RIJSTEPAP IN HET VAGEVUUR
Onmiddellijk na zijn afsterven zweefde de ziel van Piet Rijstepap door een nauwe tunnel naar
het licht. Aan het einde van de tunnel was een grote koperen poort, die vanzelf openging.
Daar waren engelen die hem verwelkomden met gezang en klaroengeschal. Zijn engelbewaarder trad naar
voren en begeleidde hem naar een kantoortje, waar sint Petrus aan de computer zat. De oude
grijsaard bewaakte een muur vol sleutels, waaronder drie hele grote: een gouden voor de hemelpoort,
een ijzeren voor de poort van het vagevuur, en een houten voor de poort van de hel.
"Juist ja ... Riestenpop ... ", prevelde de oude, "Gaat u zitten, alstublieft". En terwijl
Piet hem gespannen gadesloeg, stak Petrus een floppy in het diskettestation. De heilige portier
tuurde naar het scherm, en de uitdrukking op
zijn gezicht veranderde snel. Aanvankelijk keek hij vertederd, dan
geamuseerd, en uiteindelijk bezorgd en fronsend. Gelukkig was Piets engelbewaarder bij hem
gebleven. Die had zijn arm beschermend om Piets schouder geslagen, en hem bemoedigend
toegesproken: "Kop op, Piet, sint Petrus is toch jouw patroonheilige ..."
Na enkele minuten slaakte sint Petrus een diepe zucht, en schudde zijn hoofd. Hij haalde een mobieltje te voorschijn, en vroeg om "drei Ingele vaan de Mestreechse Mebiele Eenheid". Er kwamen meteen drie engelen binnen met gasmaskers voor. Zij namen Piet gezwind bij zijn armen en tilden hem op alsof hij een velletje papier was. In no time zweefden zij over een woestijnachtige vlakte, en kwamen weldra bij een grote houten keet die knetterend in de fik stond. De engelen zweefden tot boven die keet, en lieten Piet toen vallen als een baksteen ...
Was hij nu in de hel? Maar nee, er waren geen duivels te bekennen. En wat had Piet dan in
zijn leven voor kwaad gedaan? Goed, hij had een keer een bank willen overvallen. In gedachten
had hij de kassier met een pistool bedreigd, en de aanwezige koffiedames gelast in de hoek te
gaan staan. Maar dat waren alleen maar slechte gedachten geweest, en het geld had hij voor een
groot deel aan de armen willen geven. En hij was piraat geweest, maar dat was allemaal
gebiecht en vergeven. Piet werd er zo ontzettend moe van, hij kon wel huilen ...
... Toen schrok hij plotseling wakker. Hij bevond zich weer bij sint Petrus in het
kantoortje. De oude man keek hem vriendelijk aan. "Piet Riesterpap", sprak hij, "je bent
in slaap gesukkeld. Je hebt jouw slechte gedachten niet ten uitvoer gebracht, en dat is maar
goed ook. Daarom bestond je straf in het vagevuur ook alleen maar in jouw droom."
Toen pakte hij de gouden sleutel, en ging hem voor naar de hemelpoort. De zware poort
ging piepend open, en sint Petrus wees Piet een zonnig plekje aan waar hij plaats mocht nemen.