Jan van Nijlen 1884-1965 Flemish poet



Spring

You have come early, fresh spring, made me startle.
You're opening all the windows of my house.
(It's not a whole house, mine is only partial.)
I hear you fleeing now, like a fleeing mouse.

Benevolent spring, perhaps you may be caring
For your old sick mate, but don't be surprised:
my face is sallow, and my eyes are staring
without lustre past the green fields, paralysed.

Dear spring . . . We always have been comrades
Throughout the years, throughout the months of May;
Before I see them, I can feel your range of feast dates
By the merry light that comforts every day.

Lay once again your young head on my pillow,
Along my withered face and on my cool sheets too! . . .
We all shall have to leave this earth and follow
You to the exit, - but I believed in you.


Message for the Passengers

Don't ever mount the train without your private dreamcase,
then every town will give you a decent night place.

Keep sitting patient and still at the open pane:
you are a passenger and no one knows your name.

Seek in the past again the fresh eyes of a child;
look nonchalant and sharp, and let your dreams be mild.

All you see growing there on the black land of spring,
don't doubt: you are of all these plants the king.

Let censors say which films they like the best of all:
God knows a better one but doesn't rashly call.

Gently greet the station's master with his green-red sign:
but for his timely whistle each train would draw the line.

And if the train doesn't go ahead, destroying your mood
and hope, and your bit of cash, and any fast food,

keep calm and open your case; take one dream from the store.
This easy way you will never lose time anymore.

And if the train arrives in a somewhat strange resort,
whose name in your existence you never had heard,

then you have found at last your final destination:
You learnt what 'travel' means and 'wise without fixation' ...

Don't be surprised if, passing quite common trees,
a quite common train takes you to Rome or to Greece.


(Translation: HFH Reuvers)



Voorjaar

'k Heb u zoo vroeg, frisch voorjaar, niet verwacht,
Gij stoot de vensters van mijn woning open,
(Woning is veel gezegd!) waar ik u wacht,
En gij gaat vluchten, 'k hoor u verder loopen.

Goedaard'ge lente, voor de laatste maal
Wellicht bezoekt ge uw ouden zieken makker.
Wees niet verbaasd, mijn aangezicht is vaal,
Mijn oog staart dof langs den prilgroenen akker

En zoekt . . . Wij zijn toch altijd kameraden
Van jaar tot jaar, door 't leven heen, geweest;
Steeds voor 'k u zag had ik uw komst geraden
In 't lieve licht dat troost brengt en geneest.

Leg voor de laatste maal uw jonge hoofd
Naast mijn verdord gelaat op 't koele laken! . . .
We moeten allemaal eenmaal verzaken
Aan 't leven, - maar in u heb ik geloofd.


Bericht aan de Reizigers

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen,
dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen.

Zit rustig en geduldig naast het open raam:
gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam.

Zoek in 't verleden weer uw frisse kinderogen,
kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen.

Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland,
wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant.

Laat handelsreizigers over de filmcensuur
hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur.

Groet minzaam de stationschefs achter hun groen hekken,
want zonder zijn signaal zou nooit een trein vertrekken.

En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente
van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen,

Blijf kalm en open uw valies; put uit haar voorraad
En ge ondervindt dat nooit een enkel uur te loor gaat.

En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord,
waarvan ge in uw bestaan de naam nooit hebt gehoord,

dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen
betekent voor de dolaards en de ware wijzen ...

Wees vooral niet verbaasd dat langs gewone bomen
Een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome.


(Origineel: Jan van Nijlen)