Thomas Moore Kilkenny 1779-1852 (Irish poet)



De Minstreel

De minstreel is naar de oorlog gegaan
en op het slagveld omgekomen;
zijn wapentuig had hij aangedaan,
en zijn harp meegenomen.
De dappere bard zei: "Land van zang,
de wereld heeft u verraden,
maar één zwaard strijdt voor uw belang,
één harp prijst uw daden!"

De vijand kon het trots geluid
van Ierland niet verwonden;
de minstreel trok de snaren eruit,
zo bleef het ongeschonden.
Hij zei: "Die snaren mis je niet,
blijf nu voor altijd vrij!
In vrijheid klonk je liefdeslied,
maar zwijg in slavernij!"

De minstreel is Robert Emmet,
een Ierse revolutionair,
die werd terechtgesteld in 1803.
Zijn verloofde, Sarah Curran,
is eveneens het onderwerp
van een van Moore’s gedichten.
Zij zag zich gedwongen van Ierland
naar Frankrijk te vluchten
in de nasleep van Emmets terechtstelling.

Zij is ver van het land waar haar minnaar rust,
om haar glimlach zucht menig aanbidder.
Doch zij wendt zich af van hun blik, en kust
in gedachten het graf van haar ridder.

En zij zingt de balladen van haar vaderland,
brengt de dierbare minstreel tot leven.
En niemand die weet: door het lied overmand,
ligt de held in zijn graf te beven.

Hij leeft voor zijn lief en sterft voor zijn land,
deze twee komen in hem tezamen;
zij ziet weldra haar held terug in hemels verband,
maar nog lang zal men Ierland beschamen.

Oh! Bereid haar een graf waar het avondlijk licht,
van het westelijk eiland gekomen,
haar strelende over het stille gezicht,
van een roemrijke morgen doet dromen.


(Vertaling: HFH Reuvers)



The Minstrel Boy

The minstrel boy to the war is gone,
In the ranks of death you'll find him;
His father's sword he has girded on,
And his wild harp slung behind him;
"Land of Song!" said the warrior bard,
"Though all the world betrays thee,
One sword, at least, thy rights shall guard,
One faithful harp shall praise thee!"

The Minstrel fell! But the foeman's chain
Could not bring his proud soul under;
The harp he loved ne'er spoke again,
For he tore its chords asunder;
And said "No chains shall sully thee,
Thou soul of love and bravery!
Thy songs were made for the pure and free
They shall never sound in slavery!"

The minstrel boy is Robert Emmet,
an Irish revolutionary,
who was executed in 1803.
His fiancée, Sarah Curran,
is also the subject
of one of Moore’s poems.
She found herself forced to flee
from Ireland to France
in the aftermath of Emmet’s execution.

She is far from the land where her young hero sleeps,
and lovers are round her, sighing.
But coldly she turns from their gaze, and weeps,
for her heart in his grave is lying.

She sings the wild songs of her dear native plains,
ev'ry note which she loved awakening.
Ah! little they think who delight in her strains,
How the heart of the minstrel is breaking.

He had lived for his love, for his country he died,
they were all that to life had entwined him.
Nor soon shall the tears of his country be dried,
nor long will his love stay behind him.

Oh! make her a grave where the sunbeams rest,
when they promise a glorious morrow;
they'll shine o'er her sleep like a smile from the West,
from her own loved island of sorrow.


(Original: Thomas Moore Kilkenny)