Multatuli 1820-1887 (writer and a kind of mayor in the Dutch East Indies)


Saidjah sings:

I don't know where I am to die.
I've seen the big sea from the South Coast, when I was there
with my father to make salt.
If I die on the sea, and they throw my body in the deep
water, there well be sharks.
They will swim around my corpse, and ask: 'who of us will
devour the body, that is coming down in the water?'

But I won't hear it.

I don't know where I am to die.
I've seen the burning house of Pa-Ansu, which he himself had
kindled, because he was mata-glap.
If I die in a burning house, glowing pieces of
wood will fall down on my corpse.
And outside the house there will be a big shouting of people,
who throw water to quench the fire.

But I won't hear it.

I don't know where I am to die.
I've seen little Si-Unah fall from the klapa-tree,
when he was picking a klapa for his mother.
If I fall from a klapa-tree, I will lie dead
at the foot, in the bushes, like Si-Unah.
Then my mother will not weep, because she's dead.
But others will shout: 'look, there lies Saidjah!'
with a loud voice.

But I won't hear it.

I don't know where I am to die.
I've seen the corpse of Pa-Lisu, who had died of old age,
because his hair was white.
If I die of old age, with white hair, the wailing
women will stand around my corpse.
And they will clamour like the women next Pa-Lisu's corpse.
The grandchildren will be crying, too,
very loudly.

But I won't hear it.

I don't know where I am to die.
I've seen many people in Badur, who had died.
They put them in a white cloth, and buried them in the ground.
If I die in Badur, and they bury me outside the desa,
eastward against the hill, where the grass is high ...
Then Adinda will pass by, and the edge of her sarong
will shuffle softly through the grass ...

And I will hear it.

october 1859


(Translation: H.F.H.Reuvers)

Saïdjah zingt:

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was
met mijn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe
water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen: 'wie van
ons zal het lichaam verslinden, dat daar daalt in het water?'

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van Pa-Ansoe, dat hijzelf had
aangestoken omdat hij mata-glap was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken
hout neervallen op mijn lijk.
En buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen,
die water werpen om het vuur te doden.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de kleine Si-Oenah zien vallen uit de klapa-boom,
toen hij een klapa plukte voor zijn moeder.
Als ik val uit een klapa-boom, zal ik dood nederliggen
aan de voet, in de struiken, als Si-Oenah.
Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood.
Maar anderen zullen roepen: 'zie, daar ligt Sa´djah!'
met harde stem.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lijk gezien van Pa-Lisoe, die gestorven was van hoge ouderdom, want zijn haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaag-
vrouwen om mijn lijk staan.
En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij Pa-Lisoe's lijk.
En ook de kleinkinderen zullen schreien,
zeer luid.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren.
Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in de grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de desa,
oostwaarts tegen de heuvel, waar 't gras hoog is ...
Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong
zal zachtkens voortschuiven langs het gras ...

Ik zal het horen.

oktober 1859


(Origineel: Multatuli)